Kinderen en minder begaafden: mee in de opname! | Hoop en troost voor achterblijvende familie

Er zijn diverse Bijbelpassages die spreken over de opname van trouwe gelovigen voorafgaand aan de tijd van beproeving en veroordeling van de wereld, waarbij zij door Jezus van de aarde worden weggenomen, in een oogwenk naar de hemel verplaatst en van de aardse veroordelingen nadien veiliggesteld. Hierover lees je onder andere in  Johannes 14:1-3; 1 Korintiërs 15:51-58 en 1 Thessalonicenzen 4:13-18. Deze passages vermelden echter niet specifiek wat er tijdens de opname zal gebeuren met (ongeboren) baby’s, kinderen, adolescenten en minder begaafden (laatstgenoemden als gedefinieerd in Strong’s 3642).

Toch zijn er Bijbelse beginselen en concrete Schriftverwijzingen die zekerheid bieden dat bij de opname verdwenen kinderen en minder begaafden (evenals trouwe gelovigen) door God in de hemel zijn veiliggesteld en daar liefdevol worden verzorgd.

 

Waar in de Schrift vinden we deze beginselen en verwijzingen?

Mattheüs 19:13-14 geeft ons om te beginnen prachtige bevestiging van Jezus’ liefde en toegankelijkheid voor en zijn voorzienigheid ten behoeve van kinderen:

13 Toen werden kinderkens tot Hem gebracht, opdat Hij de handen hun zou opleggen en bidden; en de discipelen bestraften dezelve. 14 Maar Jezus zeide: Laat af van de kinderkens, en verhindert hen niet tot Mij te komen; want derzulken is het Koninkrijk der hemelen.

Ook Marcus 10:13-16 onderschrijft dit in zijn relaas van deze gebeurtenis:

13 En zij brachten kinderkens tot Hem, opdat Hij ze aanraken zou; en de discipelen bestraften degenen, die ze tot Hem brachten. 14 Maar Jezus, dat ziende, nam het zeer kwalijk, en zeide tot hen: Laat de kinderkens tot Mij komen, en verhindert ze niet; want derzulken is het Koninkrijk Gods. 15 Voorwaar zeg Ik u: Zo wie het Koninkrijk Gods niet ontvangt, gelijk een kindeken, die zal in hetzelve geenszins ingaan.

Hosea 9 geeft ons vervolgens inzicht in God’s soevereiniteit inzake het ontvangen van kinderen dan wel het verhinderen hiervan in algemene zin, alsook de specifieke mogelijkheid van God’s interventie door kinderen bij hun ouders weg te (laten) nemen als oordeel. Laatstgenoemde is wat de opname betreft een belangrijk beginsel en omvat een precedent van verwijdering van kinderen door God.

Hosea 9:11-14 Aangaande Efraïm, hunlieder heerlijkheid zal wegvlieden als een vogel; van de geboorte, en van moeders buik, en van de ontvangenis af. 12 Ofschoon zij hun kinderen mochten groot maken, Ik zal er hen toch van beroven, dat zij onder de mensen niet zullen zijn; want ook, wee hun, als Ik van hen zal geweken zijn! 13 Efraïm is, gelijk als Ik Tyrus aanzag, die geplant is in een liefelijke woonplaats; maar Efraïm zal zijn kinderen moeten uitbrengen tot den doodslager. 14 Geef hun, HEERE! Wat zult Gij geven? Geef hun een misdragende baarmoeder, en uitdrogende borsten.

Vers 11 spreekt over dat ‘de heerlijkheid (in de HSV ‘luister’ genoemd) als een vogel zal wegvliegen’. De heerlijkheid of luister is dat gedeelte van de christenen dat waardig bevonden wordt te worden opgenomen (trouwe gelovigen), aangevuld met degenen die nog geen geestelijk rekenschap hoeven/kunnen afleggen. “Als een vogel” wijst naar de zielen van degenen die veranderd worden tijdens de opname. Deze vogel is dezelfde als degene die ontsnapt “een vogel uit de strik van de vogelvanger” in Lukas 21:35 en na de opname niet langer onder de mensen op aarde zal zijn. Dat geldt van jong tot oud.

 

Ongeboren kinderen van achtergebleven moeders plotsklaps verdwenen 

Zelfs vanuit de in verwachting zijnde vrouw wordt (indien zij niet is gered of om redenen van geloofsontrouw achterblijft) het ongeboren kind weggenomen. Vers 14 geeft dat nadrukkelijk aan: opeens is het kind weg uit de baarmoeder van de achtergebleven zwangere; zij zal misdragen en haar borsten zullen verdrogen. Anders dan reguliere miskramen, zal een opgenomen, ongeboren kind geheel en plotsklaps zijn verdwenen. Dit niet op natuurlijke wijze te verklaren verschijnsel zal niet alleen de ouders, maar ook indirect betrokkenen bij de opname shockeren, tot diepe reflectie brengen en naar een verklaring doen zoeken. Een zeer indringend beeld en als we ons voorstellen dat dit bij de opname werkelijk gebeurt bij zwangeren die achterblijven, kunnen we ons de angst en verdriet van ouders en familieleden levendig voorstellen.

In deze en onderstaande verzen vinden zij bevestiging dat het hun kind na hun plotselinge verdwijnen goed gaat, dat het kind van de Heere Jezus het eeuwig leven heeft ontvangen en veilig is bij hem, liefdevol wordt verzorgd en aldaar op hereniging met hen wacht.

Over God’s interventie en de plotselinge verdwijningen zullen niettemin vele onwaarheden worden verspreid; de Bijbel waarschuwt mensen hiervoor en wapent hen hiertegen middels het geven van inzicht en concrete handvatten nog voordat de gebeurtenis plaatsheeft. We lezen in Amos 3:7 het algemene beginsel van de kennis en het inzicht die God ons vooraf geeft bij al zijn handelen:

Voorzeker, de Heere HEERE doet niets tenzij Hij Zijn geheimenis heeft geopenbaard aan Zijn dienaren, de profeten (HSV)

De Bijbel spreekt behalve over hoe God middels de opname kinderen en zwakbegaafden niet alleen in veiligheid stelt, maar hiermee tevens achterblijvende ouders en familieleden aanzet tot overdenking, bekering van hun zonden, het zoeken van redding en ontwikkelen van vasthoudend geloof. Om behalve met God zelf ook met hun geliefde kinderen en familieleden in de hemel te worden herenigd. We weten dat de verwijdering van kinderen een tijdelijk oordeel is over het ongeloof en/of geestelijke ontrouw van degenen die achterblijven. Dit tijdelijke, aardse oordeel hoeft evenwel geen eeuwigdurende gevolgen te hebben, als mensen zich tot God keren.

Zo spreekt Jesaja 47 over dedochters van Babylon’, een beschrijving en typologie van degenen die religieus zijn, maar valse goden aanbidden en primair verbonden zijn met de wereld in plaats van gericht op God. Gezien hun afkeer van God, hun zelfgerichtheid en de opeenstapeling van hun zonden van ‘bezweringen en tovenarijen’ zullen o.a. beroving van hun kinderen, verlies van hun gelovige partners en plotselinge verwoesting ineens als oordeel over hen heen vallen:

Jesaja 47:8-11 Nu dan, hoor dit, gij weelderige! die zo zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en niemand meer dan ik: ik zal geen weduwe zitten, noch de beroving van kinderen kennen. 9 Doch deze beide dingen zullen u in een ogenblik overkomen, op een dag, de beroving van kinderen en weduwschap; volkomenlijk zullen zij u overkomen, vanwege de veelheid uwer toverijen, vanwege de menigte uwer bezweringen. 10 Want gij hebt op uw boosheid vertrouwd; gij hebt gezegd: Niemand ziet mij; uw wijsheid en uw wetenschap heeft u afkerig gemaakt; en gij hebt in uw hart gezegd: Ik ben het, en niemand meer dan ik. 11 Daarom zal er over u een kwaad komen, gij zult den dageraad daarvan niet weten; en een verderf zal er op u vallen, hetwelk gij niet zult kunnen verzoenen; want er zal snellijk een onstuimige verwoesting over u komen, dat gij het niet weten zult.

 

received_387188955170166897903805

 

Hoop en vertroosting voor achterblijvende familie 

Er zullen in de tijd van verdrukking na de opname vele mensen tot beproefd geloof in Jezus Christus komen dan wel van hun afdwaling in geloof terugkeren. Openbaring 6:9-11 spreekt over de grote schare van mensen die in de verdrukking de martelaarsdood sterven “omwille van het Woord van God, en omwille van het getuigenis dat zij hadden”. Deze martelaren zullen de gebeurtenissen tijdens de verdrukking correct interpreteren, het evangelie (opnieuw) omarmen en hun geloof en vertrouwen op Jezus stellen. Deze studie elders op deze site, vertelt meer over Jezus’ oproep tot geestelijke bereidheid en terugkeer van afdwaling na de opname.

Joel 2 geeft ons vervolgens een beschrijving van de periode rondom de opname en bevestigt ons dat er hoop is op redding en dus op hereniging met weggerukte geliefden:

Joel 2:32 En het zal geschieden, al wie den Naam des HEEREN zal aanroepen, zal behouden worden; want op den berg Sions en te Jeruzalem zal ontkoming zijn, gelijk als de HEERE gezegd heeft; en dat, bij de overgeblevenen, die de HEERE zal roepen.

Aan deze Schriftplaatsen kunnen mensen wier kinderen en zwakbegaafde familieleden bij de opname zijn uitgenomen grote hoop ontlenen; zij zullen – op voorwaarde dat zij hun leven en ziel in Jezus’ handen leggen en hun getuigenis van Hem als hun enige Verlosser en Heer tot het einde van hun leven vasthouden – weer met hen worden herenigd.

 

grief-advice-676x355

 

Toereikendheid van Jezus’ offer als beginsel

Laten we ons wenden tot het basisbeginsel dat de Bijbel ons leert dat de dood van Christus toereikend is voor alle zonden van de gehele mensheid. 1 Johannes 2:2 zegt dat Jezus “verzoening brengt voor onze zonden, en niet alleen voor die van ons, maar voor de zonden van de hele wereld”. Dit vers zegt duidelijk dat de dood van Jezus toereikend is voor alle zonden, en niet alleen de zonden van de mensen die specifiek in Hem geloven. Als de dood van Christus toereikend is voor alle zonden, dan laat dit de mogelijkheid open dat God die betaling door Christus toepast op mensen die niet in staat zijn geweest te geloven dan wel hierin ernstig beperkt zijn. Het enige probleem van het standpunt dat God de betaling van Jezus toepast op de zonden van mensen die niet kunnen geloven, is dat de Bijbel niet specifiek zegt dat Hij dit ook daadwerkelijk doet. De Bijbel laat dus andere mogelijkheden open. Daarom is dit geen onderwerp zijn waar we onvermurwbaar of dogmatisch over kunnen zijn.

Vanuit het beginsel van Jezus’ liefdevolle offer aan het kruis worden niet alleen kinderen tot aan de staat van toerekenbaarheid, maar ook mensen die vanuit bijvoorbeeld een (verstandelijke) beperking of andere geestelijke zwakte vanaf hun geboorte niet tot geloof in Jezus in staat zijn, veiliggesteld. Zowel kinderen als zwak begaafden zijn bij sterfte, indien ze het vermogen tot gewetensvol rekenschap (nog) niet hebben ontwikkeld, door de Heer in beginsel behouden. Ze behoren aan Jezus toe en hun zonden zijn middels zijn zoenoffer (kruisgang) automatisch vereffend.

 

Godsbegrip 

Waar we behalve van de toereikendheid van Jezus’ offer eveneens van verzekerd zijn, is dat God perfect liefdevol, rechtvaardig, heilig, barmhartig en genadig is. Wat hij ook doet of besluit, het is ALTIJD juist en goed. Daar kunnen wij ons volledig aan vasthouden. Hieruit voortvloeiend weten we ook dat zijn gratie ook na de opname toereikend zal zijn en redding in Jezus toegankelijk blijft. We weten uit de Schrift dat na de opname velen tot beproefd geloof zullen komen en met hun opgenomen geliefden zullen worden herenigd.

 

Lessen van koning David

Een van de Bijbelpassages die ons inzicht en vertrouwen in God’s voorzienigheid voor kinderen en zwak begaafden kan vergroten, is het relaas van koning David. De passage uit de levensgeschiedenis van David die meer op dit onderwerp van toepassing lijkt dan enige andere passage vinden we in 2 Samuël 12:21-23. De context van deze verzen is het eerdere overspel (door God als zondige daad aangemerkt) van David met Batseba die reeds gehuwd was, die hierdoor zwanger raakte waarop David steeds dieper in de zonde verstrikt raakte met zelfs de dood van Batseba’s echtgenoot tot gevolg. De profeet Natan werd door de Heer gezonden om David te informeren dat de Heer zijn zoon uit dit leven zou wegnemen, omdat David zo ernstig gezondigd had. Hoewel zijn zonde wat het kind betreft geen eeuwigdurende consequenties had (de ziel van het kind is door God veiliggesteld; het kind behoort Hem toe en David begreep dat hij het kind eens zo weerzien), waren er niettemin zware, tijdelijke consequenties, namelijk de sterfte van het kind.

Laten we even stilstaan bij het feit dat David zowel gewetensbewust zondigde als gericht werd gewaarschuwd alvorens God drastisch ingreep, zoals God ook nu in de eindtijd mensen over de op handen zijnde opname en consequenties van mogelijk achterblijven waarschuwt. Zoals David – na het feit – op de hoogte werd gesteld van God’s onherroepelijke oordeel, zullen mensen die bij de opname achterblijven zich op inprijpende en pijnlijke wijze bewust worden van de consequenties van God’s interventie. Net als bij David destijds, rijkt God mensen na de opname nog steeds zijn scepter van gratie en genade aan. Ook na de opname roept hij hen op tot bekering en biedt hij hen toegang to redding en hereniging met opgenomen geliefden.

David begreep zowel God’s interventie en consequenties van zijn zonden, maar ontving ook inzicht in God’s overvloedige gratie; hij reageerde op de profetische berichtgeving dat zijn zoon zou sterven door te rouwen, te treuren en voor het kind te bidden. Maar toen het kind was overleden, kwam er einde aan David’s rouwperiode. David’s dienaren waren hier erg verbaasd over. Ze zeiden tegen Koning David: “Hoe kunt u dat nu doen? Toen het kind nog leefde, vastte u en stortte u tranen, maar nu het gestorven is, staat u op en gaat u eten.” David antwoordde: “Toen het kind nog leefde, vastte ik en stortte ik tranen. Ik dacht: Wie weet is de HEER me genadig en blijft het kind in leven. Maar nu het dood is, wat zou ik nu nog vasten? Daarmee kan ik het toch niet terughalen. Ik ga naar hem toe; hij komt niet terug bij mij.”

David’s reactie kan gezien worden als een aanvulend argument voor het feit dat mensen die niet kunnen geloven veilig in de Heer geborgen zijn. David zei dat hij naar het kind zou gaan, maar dat hij het kind niet naar hem kon laten terugkomen. Daarnaast, en dit is net zo belangrijk, kunnen we concluderen dat David hierdoor getroost is. Met andere woorden, David verwachtte dat hij zijn kind (na zijn sterfte) weer zou zien, ook al kon hij hem niet naar dit leven terugbrengen. Deze situatie rust eveneens op een beginsel. Terwijl er tijdelijke, negatieve consequenties zijn voor begane zonden in het leven, neemt God voor gelovigen de eeuwige negatieve gevolgen na oprecht berouw en bekering weg. Op basis van hetzelfde principe, kunnen we berusten in het feit dat als (ongeboren) baby’s, jonge kinderen (voor toerekenbaarheid) en zwak begaafden (zonder toerekenbaarheid) overlijden, hun ziel gered is en zij voor eeuwig bij Jezus in de hemel zullen zijn. Zo ook zullen zij bij de opname, met Hem meegaan en hiermee tevens in veiligheid worden gebracht en vrijgesteld van de tijd van zware beproevingen nadien. Het uitnemen van hen dient dus o.a. om hen te behoeden en beschermen.

De Bijbel vertelt ons, tevens als algemeen beginsel, dat alle mensen, dus ook baby’s, kinderen en verstandelijk beperkten, schuldig zijn tegenover God, vanwege de erfzonde en toegerekende zonden, al hebben ze op het moment van sterven mogelijk nog geen persoonlijke zonden begaan. De erfzonde is via onze voorouders aan ons is overgedragen.

Het relaas van koning David biedt ons aanknopingspunten over hoe de erfzonde zich verhoudt tot het lot van kinderen die vroegtijdig sterven. In Psalm 51:7 schreef hij over de erfzonde: “Ik was al schuldig toen ik werd geboren, al zondig toen mijn moeder mij ontving.” David herkende dat hij al vóór zijn geboorte een zondaar was. Het treurige feit dat baby’s soms sterven, toont aan dat ook baby’s door Adam’s zonde worden getroffen, omdat de lichamelijke en de geestelijke dood het gevolg zijn van zijn oorspronkelijke zonde.

Elk mens is dus in wezen schuldig tegenover God en heeft de heiligheid van God in beginsel overtreden. De enige manier waarop God rechtvaardig kan zijn en tegelijkertijd een volwassen, weldenkend mens als rechtschapen kan beschouwen, is als hij of zij in Jezus Christus gelooft en zo vergeving ontvangt. Aanvaarding van Jezus als Verlosser en Heer is de enige manier om in de hemel te komen, dus de enige weg tot redding van de hel. In Johannes 14:6 lezen we wat Jezus hierover zei: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Niemand kan bij de Vader komen dan door mij.” Petrus bevestigt dit in Handelingen 4:12: “Door niemand anders kunnen wij worden gered, want zijn naam is de enige op aarde die de mens redding biedt.”

Hoe zit het dan met degenen die niet in staat zijn (geweest) deze keuze te maken?Kinderen en jong-volwassen die de “staat van geestelijke toerekenbaarheid” nog niet bereikt hebben en dus nog geen geestelijk rekenschap kunnen afleggen, zijn tot dan automatisch gered, dus veilig in Jezus. Het beginsel van “redding voor toerekenbaarheid” is het uitgangspunt dat God alle mensen redt die sterven vóórdat zij in staat zijn geweest een beslissing vóór of tegen Jezus Christus te nemen. Dit geldt eveneens voor zwak begaafden vanaf geboorte die dit geheel niet kunnen, ook niet bij het bereiken van volwassenheid in aantal levensjaren.

 

Toen het gebod kwam

Ook de Romeinen-brief van de apostel Paulus geeft ons inzicht wat betreft het beginsel vrijstelling van kinderen en minder begaafden van de beproevingen na de opname. Tot het moment, dat Paulus in Romeinen 7:9 beschrijft als “toen het gebod kwam” – wat kan worden gezien als het bewustzijn van de noodzaak tot redding resulterend in het bereiken van “de staat van toerekenbaarheid” – bestaat de zondige natuur van kinderen en jongeren wel, maar God rekent hen de zonde nog niet eeuwig toe.

Teruggaand naar de basis van menselijke verantwoordelijkheid en toerekenbaarheid, leert elk weldenkend kind al op jonge leeftijd reeds begrijpen dat als hem is verteld dat hij bepaalde dingen niet mag doen dat hij bijgestuurd, gedisciplineerd of zelfs gestraft kan worden. Waar Paulus spreekt van de tijd dat het gebod, of de wet komt, spreekt hij van de tijd in het leven van ieder persoon waarop deze leert inzien dat hij of zij – in wezen – zondig is en niet alleen diens gezagdragers ongehoorzaam kan zijn, maar tevens de geboden van God kan overtreden en hierbij eeuwige consequenties kunnen gelden. Onze inherente gewetensfunctie en morele natuur (o.a. beschreven in Romeinen 1:18, 1:26, 1:32 en 2:15) en stapsgewijs groeiend verantwoordelijkheidsbesef, zich later ontwikkelend in bewustzijn van de noodzaak Jezus’ redding en verlossing te aanvaarden, ontvouwt zich in directe relatie met God zodra de Heilige Geest ons betrekt, een proces dat mede gefaciliteerd kan worden door bijvoorbeeld gelovige naasten of geestelijk onderwijzers die van Jezus’ getuigen en ons hierbij mede ondersteunen. Het is evenwel uitsluitend God zelf die zielsbehoud in eenieder mogelijk maakt en over geestelijke toerekenbaarheid van de zonde oordeelt; redding van eenieders ziel is van geen enkele derde mens of externe factor afhankelijk. Hebreëen 10 leert ons o.a. hoe gehoorzaamheid aan God’s geboden mogelijk wordt gemaakt door ons geloof in Jezus’ verlossende en nadien heiligende werk en hoe alleen God ons rebelse ‘stenen hart’ en ongehoorzaamheid kan vervangen door ‘een hart van vlees’ en liefdevolle navolging van hem.

Ook lezen we in de Romeinenbrief hoe Paulus betuigt dat kinderen van God kunnen ontvangen voordat ze zelfs maar wedergeboren zijn. We begrijpen eveneens uit dit epistel dat kinderen al op zeer jonge leeftijd Jezus om redding kunnen vragen en dit kunnen ontvangen.

We begrijpen nu, op basis van Bijbelse beginselen en directe Schriftverwijzingen dat het proces van bewustzijns- en verantwoordelijkheidsgroei, eenieders verhouding tot God en redding volledig onder soevereiniteit staat van God alleen en uitsluitend door hem wordt ingegeven, vrijgezet en beoordeeld. Zijn uitgestrekte hand van gratie, genade en redding worden van jonge tot hoge leeftijd zelfstandig aanvaard ofwel verworpen en geestelijke redding kan wel worden beïnvloed door, maar is niet afhankelijk van derden.

Laten we ook eens kijken hoe Joodse tradities en schriftuur zich verhouden tot de Schrift, welke ook in deze als absoluut geldend en dus hoger dan deze traditie en interpretaties wordt gehouden.

 

Toewijzing van verantwoordelijkheid in de Joodse traditie en leer

In Joodse tradities en interpretaties van de Schrift start vanaf twaalf, dertien jaar de fase van het beginnend afleggen van verantwoordelijkheid voor God’s wetten; vanaf dan kan de jongere bijvoorbeeld in de rechtbank gehoord en bestraft worden. Een bekende Joodse traditie, waarbij overigens onderscheid wordt gemaakt in leeftijd tussen jongens en meisjes, is dat jongens met bereiken van 13 jaar als jong-volwassen worden beschouwd wat middels de zogeheten ‘Bar Mitswa’ viering is geritualiseerd. Vanaf dat moment worden Joodse jongens verantwoordelijk tegenover God om zich aan alle geboden en verboden te houden die onder de Joodse wet vallen; de voorschriften die deels ontleend zijn aan de Thora, maar ook aan de Misjna en aan orale tradities en commentaren (welke op onderdelen overigens onderling strijdig zijn) waaronder de anti-Bijbelse Talmoed.

Vóór de tijd dat een jongen ‘Bar Mitswa’ wordt, ligt alle verantwoordelijkheid voor hem bij zijn ouders. Nadien zijn de ouders nog verantwoordelijk voor zijn verdere opvoeding en opleiding, want op deze leeftijd wordt een jongen nog niet helemaal als zelfstandig beschouwd. Pas op twintigjarige leeftijd moet een jongen naar Joodse tradities bijvoorbeeld zelfstandig kunnen voorzien in zijn levensonderhoud, als uiting van volwassenheid (Rabbi Yehudah ben Tema, Avot 5:25). Volgens Joodse rabbijnen (Rashi) verwijst de twintigjarige leeftijd voor zowel jongens als meisjes naar de leeftijd waarop de ‘hemelse rechtbank’ een persoon ‘achtervolgt’ voor zijn daden, hem of haar aansprakelijk houdt voor ‘goddelijke straf’ voor begane zonden (ArtScroll Siddur, 578).

Wat het onderscheid in leeftijd betreft aangaande beginnende verantwoordelijkheid onder Joodse tieners, zien we dat wanneer een Joods meisje de leeftijd van twaalf jaar bereikt, zij al beginnend verantwoordelijk wordt gehouden onder de Joodse wet. Op dat moment wordt het meisje een ‘Bat Mitswa’, een zogeheten “dochter van het gebod”.

Een volgend element dat we kunnen beschouwen: hoe kijkt de Schrift aan tegen geestelijk gezag over kinderen?

 

Geestelijk gezag

De Schrift wijst inzake o.a. bescherming, opvoeding en morele ontwikkeling van de jeugd in het bijzonder op de taakstelling en (geestelijke) autoriteit van ouders en andere opvoeders, maar ook kerkelijk leiders, werkgevers en overheidsorganen spelen in hun gezagsuitoefening een belangrijke rol, ten goede of ten kwade. “De dwaasheid is in het hart des jongen gebonden”, zegt de geïnspireerde schrijver van Spreuken (22:15), bovendien zijn er zondaars, die de jeugd „aanlokken” (Spreuken 1:10). Hoe menigmaal zijn overigens ouders, opvoeders en andere overheden niet inbegrepen bij die zogeheten “zondaars, die de jeugd aanlokken”, al is hun taakstelling (Bijbels gezien) anders. Tot hun Bijbelse taakstelling behoort ervoor te zorgen dat de jeugd “van kinds af de Heilige Schriften geweten heeft” (2 Tim. 3:15) en “vuriglijk tot de Heere te bidden dat Hij lere wat wij dat knechtken doen zullen, dat geboren zal worden” (Richteren 13:8). Als de jeugd “de eerste beginselen” werkelijk heeft mogen leren, wat tegenwoordig steeds zeldzamer is, dan is daar de belofte dat als zij oud zijn daarvan “niet zal afwijken” (Spreuken 22:6).

De Bijbel noemt als eerst aangewezen sturingsinstantie dus nadrukkelijk de ouders, pas daarna noemt de Schrift andere gezaghebbenden. In Deut. 21:18-21 “Wanneer iemand een moedwillige en wederspannige zoon heeft, die aan de stem zijns vaders en zijner moeder niet gehoorzaam is, en zij hem gekastijd zullen hebben en hij naar hen niet horen zal, zo zullen zijn vader en zijn moeder hem grijpen en zij zullen hem uitbrengen tot de oudsten zijner stad en tot de poort zijner plaats.” Dus eerst ligt er een taak voor de ouders om te informeren, instrueren, voor te leven en waar nodig te disciplineren en tuchtigen. In het geval van blijvende ongehoorzaamheid of onverbeterlijkheid naar ouders ligt er een taak voor extern aangestelde gezaghebbenden als geestelijk leiders, wetshandhavers en rechters om te disciplineren en straffen. Indien ook deze correctie faalt of afwezig is, kan zelfs verder verval intreden naar moedwillige ongerechtigheid en kwaadaardigheid, zelfs op jonge leeftijd (zie Psalm 58, 2 Kronieken 36, Jeremia 32:30, Genesis 19:4).

 

Lessen uit het oude verbond?

Als we ons afvragen welke lessen we kunnen of moeten trekken uit het oude verbond,  rijst mogelijk de vraag; “Is de inclusieve aard van het Oude Verbond van toepassing op de kerk?” Op de Pinksterdag zei Petrus namelijk tegen de aanwezigen:

Handelingen 2:38 En Petrus zeide tot hen: Bekeert u, en een iegelijk van u worde gedoopt in den Naam van Jezus Christus, tot vergeving der zonden; en gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen. 39 Want u komt de belofte toe, en uw kinderen, en allen, die daar verre zijn, zo velen als er de Heere, onze God, toe roepen zal.

Het woord kinderen hier (‘teknon’ in het Grieks) betekent ‘kind, dochter, zoon’. Handelingen 2:39 geeft aan dat vergeving van zonden voor iedereen beschikbaar is (vgl. Handelingen 1:8), inclusief toekomstige generaties. Terwijl de doop als geloofsuiting open staat voor kinderen, is dit evenwel geen vereiste en leert dit vers geen familie- of gezinsredding. In dit artikel lees je meer over de doop van kinderen, de veiligstelling van hen in de Heere Jezus Christus als beginsel en geestelijke bedekking van kinderen van gelovige ouders.

 

Geloofsstatus ouders bepalend?

Sommigen stellen dat alleen kinderen van gelovigen worden opgenomen. Deze visie is voor mij problematisch gezien de fundering ervan op overdrachtelijk geloof van de ouders (en hiermee indirect op redding door geloof en/of werken van derden) in plaats van geworteld in de persoonlijke en directe genade en gratie van God alleen. Deze zienswijze staat mijnsinziens op spanning met algemene beginselen in de Schrift. Geloof van een ouder of het ontbreken daarvan, is dus geen bepalende factor. Dat ouders een hoofdrol vervullen bij het informeren, instrueren en voorleven van hun kinderen inzake geestelijke, morele en normatieve opvoeding, staat hier niet ter discussie.

 

Herstel van familiebanden 

Het beginsel van familie-eenheid in gezamenlijk geloof in Jezus Christus en het beginsel van herstel van verbroken en verzwakte verbindingen na afdwalen in geloof, loopt als centraal thema door de Bijbel heen. Het relaas van de vreugdevolle hereniging van de verloren zoon met zijn liefdevolle vader nadat eerstgenoemde na grote verwijdering en onverantwoordelijkheid uiteindelijk tot inkeer en bezinning is gekomen, is hiervan een sprekend en welbekend voorbeeld. Zo veel houdt de hemelse vader van ons mensen; hij wacht op ons vol liefde en met uitgestrekte armen en zal zich tot het uiterste inspannen ons tot redding, bekering van onze zonden en terugkeer in relatie met hem te brengen. God de vader wil niets liever dan zijn familie te herstellen en getuigt tot het uiterste van zijn liefde, gratie en kracht ons te redden uit de wereld en van de hel, hier nader toegelicht.

 

Negatieve uitzonderingen

Een negatieve uitzondering op het beginsel van veiligstelling van kinderen en jong volwassenen, herkennen we bijvoorbeeld ten tijde van de veroordeling van Sodom en Gomorra, waarbij als uitvloeisel van algehele geestelijk en morele degeneratie zelfs jongelingen structureel vervielen in (o.a. seksueel) perverse en aggresieve handelingen. In dergelijke gevallen van structurele, moedwillige slechtheid en perversiteit oordeelt God ook over de wilsbekwame jongeren onder dergelijke zondaars zeer strikt, blijkens tot levensbeeindiging aan toe. Een andere negatieve uitzondering is de in 2 Koningen 2 beschreven groep jongens die de profeet bespotten, verachtten en beschimpten waarop de profeet hen vervloekte en God hen zwaar strafte. Bewust zeer kwaadwillig gedrag kan dus ook bij kinderen en jong volwassenen tot zware bestraffing en zelfs sterfte leiden. Het is als precedent inzake de opname aldus in beginsel mogelijk, dat de Heer uitzonderlijk ongehoorzame, rebelse, kwaadwillende jongeren (die cognitief bekwaam en toerekenbaar zijn), bij de opname achterlaat om hen nadien te disciplineren, tot bekering van hun zonden aan te zetten hem te zoeken voor verlossing en beproefd geloof.

 

Volwassenheid vanuit de Schrift 

Terwijl een algemeen geldende ondergrens voor kinderen inzake bijvoorbeeld wils- en handelingsbekwaamheid of toerekenbaarheid voor de zonde niet expliciet door de Schrift wordt gesteld*, wordt in diverse Bijbelse passages wel expliciet zicht gegeven op een generieke overgangsleeftijd van adolescentie naar volwassenheid. Volgens het Woord van God wordt iemand namelijk volwassen als hij 20 jaar wordt. Volwassenen worden “mannen” of “vrouwen” genoemd. Een “volwassene” wordt gedefinieerd als “een persoon die geen kind is”. Een persoon die jonger is dan 20, is Bijbels gezien een kind. De Bijbel verwijst naar alle mensen van conceptie tot de leeftijd van 19 als kinderen en dus niet in het geval van de ongeborenen als ‘embryo’s’ (kinderen vanaf de conceptie tot 8 weken) of ‘foetussen’ (kinderen 8 weken tot de geboorte) of zoals we tegenwoordig soms plegen te doen als ‘weefsel’. Romeinen 9:11 zegt over baby’s in de baarmoeder het volgende over ‘goed en kwaad’: “Want de kinderen zijn nog niet geboren en hebben evenmin goed of kwaad gedaan …”

De Bijbel gebruikt verschillende woorden om kinderen te beschrijven, waarvan sommige een onderscheid maken qua leeftijd, zoals: baby’s, jonge kinderen, kinderen, jongens, meisjes, kleintjes, jongeren enz. De Bijbel stelt duidelijk: een jongen is een man jonger dan 20 jaar. Een man is een man van 20 jaar of ouder. Een meisje is een vrouw jonger dan 20 jaar. Een vrouw is een vrouw ouder dan 20 jaar.

Vanaf 20 jaar worden in de Bijbel volwassen weging, toegang, bekwaamheden en verantwoordelijkheden toegekend. Zo worden mannen niet meegeteld als leden van het volk van Israël tot ze de leeftijd van 20 jaar hebben bereikt. Tevens lezen we in Exodus 30:14 dat alleen degenen die 20 jaar en ouder waren, geacht werden een tempeloffer te brengen. Ditzelfde geldt voor de census door Moses van Israëlische soldaten als beschreven in Numeri 18:1-3:

In diverse andere passages vinden we terug dat mensen vanaf  20 jaar:

  • vanaf dan als volwassenen worden aangeduidt en ‘man’ of ‘vrouw’ worden genoemd;
  • alsook hogere tempelbelasting moesten betalen (Lev 27:4);
  • dat ze dan pas in het leger mochten vechten;
  • dat ze dan mochten trouwen, en
  • als priester mochten dienen.

Deutronomium stelt in 1:39, in het relaas over de Israelieten die onder leiding van Jozua en Kaleb het beloofde land mochten binnentreden (dit kan tevens als voorspiegeling van de opname naar ons hemelse, belooofde land worden gezien), dat zowel jonge kinderen (‘kinderkens’) als kinderen (in deze situatie werd de bovengrens van kindschap vastgesteld op 19 jaar) door de Heer toegang werd verleend:

36 Behalve Kaleb, de zoon van Jefunne; die zal het zien, en aan hem zal Ik het [beloofde] land geven, waarop hij getreden heeft, en aan zijn kinderen; omdat hij volhard heeft den HEERE te volgen. 37 Ook vertoornde zich de HEERE op mij om uwentwil, zeggende: Gij zult daar ook niet inkomen. 38 Jozua, de zoon van Nun, die voor uw aangezicht staat, die zal daarin komen; sterk denzelven, want hij zal het Israël doen erven. 39 En uw kinderkens, waarvan gij zeidet: Zij zullen tot een roof zijn; en uw kinderen, die heden noch goed noch kwaad weten, die zullen daarin komen, en dien zal Ik het geven, en die zullen het erfelijk bezitten.

In Numeri 32:11-12 vinden we bevestiging van deze leeftijdsgrens:

11 De mannen die uit Egypte zijn vertrokken, van twintig jaar en daarboven, zullen het land niet zien dat Ik Abraham, Izak en Jakob gezworen heb te geven! Want zij hebben er niet in volhard Mij na te volgen, 12 behalve Kaleb, de zoon van Jefunne, de Keneziet, en Jozua, de zoon van Nun, want die hebben er wél in volhard de HEERE na te volgen.

De 20-jaar grens werd niet voor alle koningen toegepast. Hoewel de meeste onder hen hun koningschap aanvingen boven de 20, waren er uitzonderingen als Joash (7 jaar, 2 Kron. 24:1), Uzziah (16 jaar, 2 Kron. 26:3), Manasseh (12 jaar, 2 Kron. 33:1), Josiah (8 jaar, 2 Kron. 34:1), en Jehoiachin (8 jaar, 2 Kron. 36:9)

Elk van deze verwijzingen vertoont een patroon, namelijk dat 20 jaar de generieke leeftijd is waarop men als volwassen wordt beschouwd en volwassen verantwoordelijkheden krijgt toegewezen die zich uitstrekken tot geestelijke dienstverlening in de tempel. Dat betekent niet dat een jongere van 19 jaar niet volwassen zou kunnen zijn qua denken, noch garandeert het dat eenieder ouder dan 20 per se volwassen is in denken, houding en gedrag. Dit is natuurlijk geen vrijbrief voor iemand onder de 20 jaar om verkwistend te zijn inzake God’s gratie en genade of zondig te leven (ook ‘hyper-grace’ genoemd).

Laten we eens kijken naar Johannes, hoofdstuk 9, verzen 1–3, met speciale aandacht voor het woord man, en bedenken dat een man een man is die 20 jaar of ouder is:

“En toen Jezus voorbij kwam, zag hij een man die blind was vanaf zijn geboorte. En Zijn discipelen vroegen Hem, zeggende: Meester, wie zondigde deze man of zijn ouders dat hij blind geboren was? Jezus antwoordde: “Noch heeft deze man gezondigd, noch zijn ouders …”

Het Woord vertelt ons hier (onder andere) dat deze persoon al minstens 20 jaar blind was, omdat hij vanaf zijn geboorte blind was en nu volwassen. Het verhaal vertelt verder hoe Jezus de man genas zodat hij kon zien. In vers 21 zeiden de ouders van de man:

“…hij heeft zijn ouderdom, vraagt hemzelven; hij zal van zichzelven spreken”

Door deze passages van de Schrift nader te bezien, stellen we vast dat een ‘man’ een persoon is die meerderjarig is en voor zichzelf kan spreken. Dit zou ook gelden voor een ‘vrouw’. Een ‘vrouw’ is een persoon die meerderjarig is en voor zichzelf kan spreken.

Met andere woorden, een persoon moet 20 jaar oud zijn om voor zichzelf te kunnen spreken. Als een persoon nog geen 20 is, staat de​​ze onder het gezag van de ouders, spreken de ouders voor digene en dragen deze mede verantwoordelijkheid (Efe 6:1).

Een laatste, uitzonderlijke overweging inzake op kinderen, hun verlossing en de opname:

 

Als de dagen van Noach en Lot

De Bijbel spreekt in Mattheus 24 en Lukas 17 van diverse parallellen tussen de huidige eindtijd voorafgaand aan Jezus’ komst voor de opname en de tijden waarin Noach en Lot leefden, voorafgaand aan respectievelijk wereldwijde en plaatselijke veroordeling door God. Hierover lees je in de hier genoemde studie ‘Be Ye Ready’ meer. In Noach’s context was er behalve van algehele morele degeneratie onder alle leeftijden tevens sprake van algehele genetische corruptie (uitgezonderd Noach en zijn familielijn). Van dergelijke algemene, verregaande genetische degeneratie tot voorbij het kunnen worden gered als destijds, is in de huidige tijd voorafgaand aan de opname geen sprake, uitzonderingen daargelaten.

Anders zal dit worden na de opname, wanneer tijdens de laatste fase van verdrukking (de tijd van God’s wraak) het zogeheten ‘merkteken van het beest’ zal worden uitegerold en aanvaarding hiervan voorwaardelijk zal zijn voor toegang en voorzieningen vanuit het ‘beest systeem’ oneconomisch verkeer. Indien mensen er voor kiezen dit merkteken te aanvaarden, zal onherstelbare, genetische corruptie (hybridisering) zijn intrede doen en kunnen diegenen nadien niet meer door God worden gered.

 

Voor nadere studie

In mijn Engelstalige artikel, getiteld: ‘Children and the Rapture‘ komt een gedeelte van bovenstaande onderwerpen aan bod, aangevuld met passages in het Oude Testament en informatie over vrouwen die na de opname zwanger worden. Ik haal onderstaand, na een algemene Schriftverwijzing uit Mattheus 24, een aantal Schriftverwijzingen over hen aan:

Mattheus 24:6 En gij zult horen van oorlogen, en geruchten van oorlogen; ziet toe, wordt niet verschrikt; want al die dingen moeten geschieden, maar nog is het einde niet. 7 Want het ene volk zal tegen het andere volk opstaan, en het ene koninkrijk tegen het andere koninkrijk; en er zullen zijn hongersnoden, en pestilentien, en aardbevingen in verscheidene plaatsen. 8 Doch al die dingen zijn maar een beginsel der smarten.

De smarten, hier opgetekend, duiden op het lijden als het ondergaan van in frequentie en zwaarte toenemende geboortepijnen (ref. in Hosea 13:13, Marcus 13:8). Nadien in vers 19 wordt het tweede deel van de tijd van zware beproevingen en verdrukking beschreven en maakt Jezus een expliciete verwijzing naar het relatief zware lot van vrouwen die na de opname zwanger raken en hun kinderen borstvoeding geven. In de tijd strekkend vanaf de opname, worden oudere kinderen dan zuigelingen niet genoemd.

Mattheus 24: 19 Maar wee den bevruchten, en den zogenden vrouwen in die dagen! 20 Doch bidt, dat uw vlucht niet geschiede des winters, noch op een sabbat. 21 Want alsdan zal grote verdrukking wezen, hoedanige niet is geweest van het begin der wereld tot nu toe, en ook niet zijn zal.

Deze passage wordt bevestigd in Marcus 13:

Marcus 13:17-19 Maar wee den bevruchten en den zogenden vrouwen in die dagen! 18 Doch bidt, dat uw vlucht niet geschiede des winters. 19 Want die dagen zullen zulke verdrukking zijn, welker gelijke niet geweest is van het begin der schepselen, die God geschapen heeft, tot nu toe, en ook niet zijn zal.

In Lukas 23:28-29 zegt Jezus tijdens zijn kruisgang specifiek tegen de vrouwen van Jeruzalem:

28 En Jezus, Zich tot haar kerende, zeide: Gij dochters van Jeruzalem! weent niet over Mij, maar weent over uzelven, en over uw kinderen. 29 Want ziet, er komen dagen, in welke men zeggen zal: Zalig zijn de onvruchtbaren, en de buiken, die niet gebaard hebben, en de borsten, die niet gezoogd hebben.

Uit deze Schriftverwijzingen kunnen we opmaken dat het lot van vrouwen, zowel degenen van wie de kinderen zijn opgenomen en aldus uit hun leven weggerukt als degenen die na de opname zwanger raken en hun kind door zware beproevingen moeten leiden, in de beschreven en voorzegde dagen na de opname bijzonder zwaar zal zijn.

 

Tot slot, een waarschuwing voor degenen die deze tekst na de opname lezen: wees waakzaam voor onjuiste en leugenachtige verklaringen omtrent het plotselinge verdwijnen van volwassenen, kinderen en zwak begaafden!

Na de opname zullen, deels uit onwetendheid ofwel om de waarheid van de Bijbel teniet te doen, door achtergebleven overheden, geestelijk leiders en zogeheten ‘deskundigen’ hoogstwaarschijnlijk onjuiste verklaringen worden gegeven voor het feit dat vele gelovigen, kinderen en zwak begaafden ineens van de aarde zijn verdwenen. Omdat deze gebeurtenis op menselijke en natuurlijke wijze niet verklaarbaar is, zal naar verwachting ook verwezen worden naar diverse onjuiste bovennatuurlijke oorzaken. De Bijbel waarschuwt ons hier reeds voor (‘kracht der dwaling’ in 2 Thessalonicenzen 2:1-17).

Houdt dus vast aan hetgeen de Schrift stelt en onderzoek alles – ook dit artikel –  zelf in het licht van de Schrift! Wellicht is het raadzaam dit artikel (evenals ander materiaal van de site) uit te printen en achter te laten voor degenen van wie u verwacht dat ze bij de opname zullen achterblijven om hen nadien op weg te helpen.

 

Met dank aan Trudy, Jane, Kay, Terry, Karen, Hugh, Tim en Niels en diverse anderen bij de totstandkoming van dit artikel

 

jesus-hugging-a-little-girl-480x270

 

Engelstalige bronnen, o.a. inzake afwezigheid van een algemene, absolute beginleeftijd van toerekenbaarheid in de Bijbel voor kinderen:

 

 

 

 

 

Schermafbeelding 2019-07-25 om 08.31.23 Disclaimer:

Ik neem afstand van de publicatie, getiteld: ‘Age of Accountability’ van Informed Christians, de internationale bediening waaraan ik tot deze publicatie in januari 2019 als onderzoeker en co-auteur was verbonden.

 

 

 

 

Reacties zijn gesloten.

WordPress.com.

Omhoog ↑